40dagen tijd

De 40 dagentijd is een pelgrimage naar Pasen en bijna zo oud als het Paasfeest zelf. Het is een tocht die bedoeld is om iets met je te doen. Zonder bezinning en voorbereiding zou je een plompverloren feestgenoot zijn, een vreemde in Jeruzalem.

Invocabit, zondag 21 februari 2021

Reminiscere, zondag 28 februari 2021

 Oculi, zondag 7 maart 2021

Laetare, zondag 14 maart 2021

Judica me! zondag 21 maart 2021

Palmpasen, zondag 28 maart 2021

Zondag 28 maart

The Palm BearerPalmpasen: Gezegend die komt in de naam van de Heer
Lezingen: Marcus 11,1-10; Jesaja 50,4-7; Filippenzen 2,5-11 en Marcus 14-15
 
Wasili Wasin staat in een lange traditie en werkt met de geloofstaal van geschilderde iconen. Tegelijk vernieuwt hij die taal op een geheel eigen wijze. Zo beschildert hij geen vlakke, rechthoekige paneeltjes, maar panelen van lindenhout zoals ze zijn: toevallig gevormd, met wat reliëf, met barsten en holten die deel gaan uitmaken van de beeldtaal.
 
Het komt terug in bijna elke individuele icoon van de Russische meester. Op het eerste oog een vertrouwd tafereel. Maar bij nader toezien is er bijna altijd wel iets onverwachts, iets waarmee je je op het verkeerde been gezet voelt.
 
Neem de icoon van vandaag. Onmiskenbaar het tafereel van Jezus die op een ezelsveulen Jeruzalem binnenrijdt. Voorspelbaar, bijna saai, een beetje middelmatig. En nu ja, niet elk werk kan nu eenmaal onovertroffen zijn.
 
En toch. Iets doorbreekt het karakter van een doorsnee kinderbijbelillustratie. Wat is dat? En wat doet het met mij?
 
Is het de volstrekte afwezigheid van de uitbundigheid die je bij het tafereel verwacht, een zindering zoals Barack Obama die destijds teweeg bracht toen hij nog gekozen moest worden? Zijn het weer de ernstige gezichten - of horen die nu eenmaal bij de sfeer van inkeer die iconen bedoelen op te roepen? Zijn het die niet meer dan twee schamele palmtakken, een in de hand van een volwassene en een in de hand van een kind? Is het de achtergrond die eerder associaties met de klaagmuur oproept dan met vrolijk feestgedruis? Of is het vooral de ezelin die wel door haar hoeven gezakt lijkt?
 
In het verbeelde verhaal lijkt de ezelin een beeld van bescheidenheid, een tegenbeeld van de wagens, de paarden, de wapens, de zwaarden, krijgszuchtige plannen (lied 550). Ofwel: een tegenbeeld van de gevestigde macht met haar vroeg of laat vermorzelende uitwerking. Denk alleen al aan vluchtelingenkamp Moria of de toeslagenaffaire.
 
Zakt de ezelin op de icoon door haar hoeven, omdat deze wetenschap misschien toch niet zo vanzelfsprekend is en wel een geheugensteuntje kan gebruiken? Geen zwaard, geen speer; met blote hand, gewoon met woorden brengt hij vrede (lied 549).
 
Maar hoeveel weerstand roept ook juist dat niet op? En wie van ons heeft daar zelf nooit last van? Is het die weerstand, die al sluimert in het verhaal en ook voelbaar wordt in de icoon? De bedriegelijkheid van de volksgunst: heden Hosanna, morgen kruisig hem! (lied 556) Is het toeval dat het aureool om het hoofd van de ‘ezelruiter’ (lied 549) ditmaal enkel wat bloedsporen laat zien? En is het verbeelding dat er bloeddruppels langs zijn neus wegdruppen? Alsof de kroon hem hier toegedacht toch vooral een nog onzichtbare doornenkroon is?
 
En hoe langer ik naar de omstanders kijk, hoe ongemakkelijker het plaatje voelt. Zie ik het goed? Heeft de tegemoetkomende menigte rechts inderdaad twee gezichten: naast lof en hulde ook verraad dat nog achter vroom gevouwen handen verborgen wordt? Hoe gaat de menigte achter die twee gezichten straks partij kiezen? En wat drukt de volgende menigte links uit? Is het zoiets als een plotseling bestorven applaus? Zelfs de onbevangenheid van de beide kindergezichten lijkt al in het gedrang te komen.
 
Kortom, waar vind ik mijzelf terug in dit wat ongemakkelijke beeld? Pasen lijkt ineens nog ver, een lange stille week ver nog.
 
Klaas Holwerda

Muziek bij Palmzondag: Hosianna, Hosianna, Davids Sohn ...

Voor koren zijn palmzondagcantates altijd dankbare werken. Immers, het beeld van de binnenrijdende koning wordt ook op de tweede adventszondag gebruikt.
Deze kleine cantate is van Wolfgang Carl Briegel (1626-1712). In zijn lange leven heeft deze man ongelofelijk veel geschreven: maar liefst 24 uitgegeven banden tussen 1654 en 1709, waaronder hele jaargangen cantates. Met deze aantallen was Joh. Seb. Bach een kleine jongen… Waarbij wel gezegd moet worden dat Briegel vooral kleine en minder complexe cantates schreef. Een extra reden voor koren om ze te zingen. Van zijn materiaal is echter nog maar een tiental werken ontsloten.
 
Dit Hosianna bestaat uit een ripieno, een instrumentaal stuk, gevolgd door een driestemmige aria met een vierstemmig refrein. En dit driemaal achter elkaar, omdat de aria drie coupletten heeft. Negen deeltjes dus binnen tweeëneenhalve minuut. In het ripieno en de aria wisselen homofonie (alle stemmen klinken gelijk, onder elkaar) en polyfonie (een stemmenweefsel) elkaar af.
De polyfone structuur wordt aangereikt door de binnenrijm van de tekst:
Seid bereit,
machet weit
Tür und Tor und Ehrenbogen.
Een ongelofelijk sterke combinatie tekst-muziek: elke korte regel klinkt een stapje hoger. Vaak zie je dat zo’n hecht samenspel niet volgehouden kan worden in de volgende coupletten, maar hier blijft het sterk:
Gross von Rat,                                Wohn allhie
Stark von Tat,                                  spät und früh
Held zum Heiland auserkoren.        Jesu König, weiche nimmer
Het instrumentale deel bestaat uit de thema’s die vocaal zullen volgen. Vandaar dat ook hier al de polyfonie zijn intrede doet.
Uit dit alles is op te maken dat
- de muziek op de tekst is geschreven en niet andersom,
- de dichter zich bewust was van de muzikale vorm die zijn woorden zouden krijgen,  
- het ripieno later is geschreven dan de koordelen.
Ik kan me geen stuk herinneren waar uit de vorm zo duidelijk de chronologische opbouw blijkt.
 
In de palmzondagdienst van dit jaar, die we op een afstand mee kunnen maken, zingt onze eigen zanggroep deze cantate. Kort maar krachtig.

Er is een opname op Spotify (code links) en op YouTube (code rechts).
Stimmet Hosianna an – Wolfgang Carl Briegel
Altöttinger Kapellsingknaben / Altöttinger Mädchenkantorei ·
Cd ‘Advent Und Weihnachtslieder’, 2010.

Op YouTube: Stimmet Hosianna an - Wolfgang Carl Briegel

fcadd1ab-f333-42a3-aa73-7cd23196ef44 40 dagentijd

Jan Marten de Vries

Zondag 21 maart

Judica 21maart2021Judica me!: Doe mij recht!
Lezingen: Jeremia 31,31-34; Psalm 51 en Johannes 12,20-33
Het is de een na laatste zondag voor Pasen. Van de Veertigdagentijd staan vooral de laatste twee weken in het teken van Jezus’ lijdensweg. Deze dag heeft de naam Judica me gekregen, naar het begin van de intochtspsalm voor deze zondag, Psalm 43:1: ’Doe mij recht’. Het is een noodkreet.
Mijn eerste associatie bij de icoon is het verhaal in Matteüs 14: 28-33. Petrus loopt over het water naar Jezus toe, maar voelt hoe sterk de wind is, begint te zinken en dreigt te verdrinken. ‘Heer, red me!’ We zien het moment dat Jezus zijn hand uitstrekt en de hand van Petrus vastgrijpt. Petrus, de figuur links, strekt beide armen uit. Verlangend om gered te worden.
Dominant is de figuur rechts, waarin ik Christus herken aan de aureool om zijn hoofd. Waar staat hij? Op een vlot of in een boot waar het water over de rand klotst? Of staat hij aan een oever?
De randen van zijn gewaad en de plooien lijken geschilderd met bladgoud, net als het kruis in het aureool. Over een blauwe onderkleed draagt hij een rood bovenkleed, met daarin ook weer blauwe banen in de mouwen. Is het een eigenzinnige manier van Wasili Wasin om uit te beelden dat Christus tegelijk God en mens is? Op klassieke iconen wordt Christus immers regelmatig afgebeeld met een rood-purperen onderkleed, verwijzend naar zijn goddelijke natuur, en met een bovenkleed dat blauw is, de kleur van menselijkheid.

icoon 21mrtIn zijn linkerhand houdt hij iets vast. Op de voorkant staat een kruis. Is het een boek? Het heeft ook iets weg van een klein (doods)kistje. Maar het meest wonderlijke vind ik het doodshoofd. En het duidelijk zichtbare oor en oog, betekent dat dat onheil en onrecht gezien en gehoord worden, dat de nood van Petrus, de nood van deze wereld opgemerkt wordt?
Hoe langer ik naar de afbeelding kijk, hoe meer ik er ook een echo in zie van iconen waarop Christus afdaalt in het dodenrijk om Adam te doen opstaan, zoals bijvoorbeeld de zgn. Anastasis-icoon uit Rusland uit het begin van de 16e eeuw. Het gaat mij nu om de twee figuren in het midden op de voorgrond en de redding die daar gebeurt. Christus trekt Adam bij de pols, de plek waar je het leven voelt kloppen, en trekt hem uit zijn graf om te leven.

Zoals een graankorrel, door de aarde toegedekt, sterft, in een andere vorm ontkiemt en veel vrucht kan dragen. (Johannes 12:24)
Herinnert het doodshoofd waarmee Wasin Christus afbeeldt eraan dat Christus die zelf door de dood heen getrokken is, leeft en zijn mensen niet aan hun lot over laat? Dat hij reddend nabij is?
Opdat ons leven nooit in weer en wind bezwijkt … (lied 686:3)
Nelly Versteeg

Muziek bij Psalm 43 (introïtus)

Judica me, Deus, et discerne causam meam de gente non sancta: ab homine iniquo et doloso erue me. 
… 
Emitte lucem tuam et veritatem tuam: ipsa me deduxerunt et adduxerunt in montem sanctum tuum, et in tabernacula tua. 
… Judica me, Deus, et discerne causam meam.
Doe mij recht, o God, voer mijn geding, tegen een volk zonder vriendschap,- doe mij aan een man van bedrog en schurkerij ontkomen! 
… 
Zend uw licht en uw trouw, dat die mij mogen leiden, met mij komen naar de berg van uw heiligdom en naar uw woningen; 
… 
Doe mij recht, o God, voer mijn geding.

(Psalm 43,1-3, Naardense Bijbel)

Ook voor deze zondag heb ik een verklanking van de introïtus gevonden. Nu eens niet uit de Renaissance of Barok, maar uit onze tijd. Deze compositie is van de Letse componist Vytautas Miškinis (*1954).

In de Baltische staten is een rijke traditie aan muziek en dan vooral koormuziek, zeker op liturgisch vlak. Door de inlijving van de landen bij de USSR kwamen er maar mondjesmaat berichten van naar het westen, maar de laatste dertig jaar kunnen we volop genieten van deze bijzondere, noordse muziek, zoals die van Arvo Pärt (Estland).
Dit motet voor vrouwenkoor legt de nadruk op het uitschreeuwen van de woorden ‘Doe mij recht, o God’. Daarmee begint het en daarmee eindigt het, in beide gevallen lang uitgesponnen. Vooral dit deel bestaat uit clusters (reeksen noten die door elkaar klinken), waarbij ik meen dat het hier en daar wel achtstemmig is.

In het midden zit een mooi moment, waar het woord ‘tua’ van ‘tabernacula tua’ ineens eenstemmig klinkt. In het meerstemmige geweld van de mens, die roept om recht, klinken plotseling deze twee noten over God.
Het einde is intenser dan het begin. Langer, en: meer en meer zonder noten. Gefluisterd, gesproken, geschreeuwd. Met tot slot de uitroep ‘Deus!’

Er is een opname op Spotify (code links). De code verwijst naar de cd, dus het is even zoeken naar de juiste track. Van hetzelfde koor is ook een eenvoudige concertopname op YouTube te vinden (code rechts).

 Judica me, Deus
Mägi Ensemble o.l.v. Heather McLaughlin Garbes
Cd Musica Baltica (2017) https://www.youtube.com/watch?v=k3of3s7HIpU


b2ee88fa-5204-4276-9e4a-c56b2dab428d 40 dagentijd

Jan Marten de Vries

Zondag 14 maartthumb Laetare 14maart2021 web

Laetare: Verheug je met Jeruzalem
Lezingen: Jozua 4,19-5,12; Psalm 122 en Johannes 6,1-15
Waar valt het oog het eerst op? Is het de tafel? Een tafel die toch wel De Tafel moet zijn? Gezien het brood en de beker rechts op de tafel. De eettafel met ons dagelijks brood, opgetild tot Tafel die reikt naar het geheim dat schuilt in het alledaagse en daarom soms al te vanzelfsprekende?
 
Lijkt de tafel letterlijk opgetild, als door een onzichtbare hand? Hij heeft immers geen zichtbare poot om op te staan. Of het moest zijn dat het tafelblad -als in een wankel evenwicht- rust in de schoot van de beide tafelgenoten aan weerszijden.
 
Wat maakt dat deze tafel een ongemakkelijk gevoel oproept? Is het de afstand tussen de twee tafelgenoten, herkenbaar vanwege de anderhalve-meter-samenleving die ons al ruim een jaar vergezelt, maar hier ook een geduchte hindernis om elkaar brood en wijn aan te reiken?
 
Is het de ongebruikelijke plaatsing van Jezus die ongemakkelijk voelt: niet in het midden achter de tafel, schouder aan schouder met de twaalf leerlingen, maar rechts aan het uiteinde? Aan het aureool met daarin oplichtend een kruis is hij herkenbaar, evenals misschien aan het goudgele gewaad als van iemand die uit een andere wereld komt, en aan de tekenen van brood en wijn op de tafel.
 
Wie zit daar eigenlijk, in blauw gehuld, aan het linker uiteinde tegenover hem? Is het zijn rechterhand die de verrader verraadt? Meer een klomp munten dan een hand met alle vingerkootjes in het gelid? Onder de tafel, als in een weigering zijn kaarten op tafel te leggen? Met de andere hand wijst hij juist van Jezus af. Als in een sinistere verwijzing naar wat hij in zijn schild voert?
 
Wordt de afstand hier niet alleen maar pijnlijker van? De onoverbrugbare afstand tussen de hand met brood rechts en de muntklomphand links? Slaat de andere arm van de verrader letterlijk een deuk in de tafel die een tafel van overvloed zou kunnen zijn?
 
In het midden achter de tafel tenslotte, daar waar je Jezus zou verwachten, en als in een omgekeerd kruis met de tafel verbonden - wat zien we daar? Een meerhoofdige gestalte? Een groep gestalten?
 
Zijn het misschien de leerlingen, bedremmeld nog en afwachtend, zich achter elkaar verschuilend, die uitgenodigd worden zich individueel te laten zien en kleur te bekennen? Zou het kunnen dat achter hen wijzelf ons nog schuil houden?
 
En, andere vraag: zou het kunnen dat zij nodig zijn om verbinding te maken en een kring te vormen waarin overvloed over tafel kan gaan: in heel de wereld overvloed van brood? (lied 546)
 
In de lezingen voor zondag Laetare is sprake van vreugde en overvloed die kunnen zijn. Maar ook van oversteken van de ene naar de andere oever, van de ene naar een andere wereld. Van een toets (Johannes 6,6): wie ben je, waar sta je voor? Van wissels die genomen moeten worden om overvloed te laten stromen. En onheilspellend klinkt een tussenzin: het pascha van de Joden was dichtbij (Johannes 6,4).
 
Gij die ver voor ons uit … doordrong in het land der angst, … al onze schuld in uw vergeving draagt, … met levensbrood door tijd en ruimte gaat, … in deze wereld zijt,
 
… zend ons met vrede en brood, Heer, tot de mensen (lied 559).
 
Klaas Holwerda

Muziek bij Jesaja 66, 10-11(introïtus-antifoon)

Ook vandaag koos ik voor een introïtusmotet: Laetare Hierusalem van Andrea Gabrieli (ca. 1532-1585).
Laetare Jerusalem: et conventum facite omnes qui deligitis eam: gaudete cum laetitia, qui in tristitia fuistis et exsultetis. Et satiemini ab uberibus consolationis eius.
Verblijd u, Jeruzalem, en laat iedereen bij elkaar komen die van haar houden. Verheug jullie met blijdschap, die in droefheid waren en jubelt. Laat jullie verzadigen en vertroosten aan haar moederborst.
(Psalm 25,15-16a)
Zondag Laetare is halverwege de veertigdagentijd. Vandaar de bijnaam ‘halfvasten’. Het karakter van de zondag is dan ook relatief feestelijk. Een mens kan immers niet oneindig in de misère vertoeven.
Dit vinden we terug in de muziek voor die dag.
 
Gabrieli was een groot deel van zijn leven werkzaam als kerkmusicus aan de San Marco van Venetië. Deze kerk is door zijn ruimte en akoestiek de bakermat van de meerkorigheid geworden. Gabrieli had een belangrijk aandeel in de ontwikkeling ervan. Laetare Hierusalem is echter geen meerkorig stuk. Het ligt ook niet voor de hand: in de tijd voor Pasen wordt muzikaal gezien veel meer ingepakt (hier en daar werd de orgelkas letterlijk gesloten) dan uitgepakt. Maar zo af en toe biedt de vijfstemmigheid toch ruimte voor iets wat op dubbelkorigheid lijkt.
 
Een paar andere momenten vallen mij op. Allereerst het ‘Gaudete cum laetitia’, letterlijk ‘verheugt u met blijdschap’. Nu zou ik niet weten hoe je je zonder blijdschap moest verheugen, maar duidelijk is dat het hier in ieder geval niet om een binnenpretje gaat. Dat weet Gabrieli ook, als hij dit tekstgedeelte toonzet. Hij doet dit door plotseling in een (snellere) driedelige maat over te gaan. Het staat voor feestmuziek, dans! De homofonie (nu staat alles verstaanbaar onder elkaar) bij dit deel is een extra attentiesignaal. Het feesten blijft doorgaan tot het eind van de frase. Want hier zingt de tenor net even een ander ritme bij het woord ’laetitia’, waardoor een wel heel speels effect van tongklanken -l en -t ontstaat.
Maar dan volgt de tekst ‘qui in tristitia fuistis’ (letterlijk ‘die in droefheid waren’). Het lijkt haast of Gabrieli heel even uitbundig schrijft om ons naar diepere dalen te brengen: we keren terug naar de tweedelige maat, naar de polyfonie, met dalende lijnen. Gabrieli heeft hier geen enkele chromatiek (halve tonen) nodig om tot de grote diepten te raken.
Dit deel wordt, ook weer plotseling, gevolgd door de tekst ‘et exsultetis’, ‘en jubelt’: enkele snelle, korte koorinzetten brengen de vrolijkheid terug. Met ‘et satiemini’ volgt dan een lange lijn tot het eind. Rustige tevredenheid.
 
Ik ervaar het ‘droeve’ deel als het meest opvallend. Dit komt natuurlijk doordat dit aan beide kanten omgeven is door contrasterende, vrolijke delen. In het stuk van Gabrieli is dit het gedeelte rond de ‘gulden snede’. Niet geheel toevallig, want bepaald door de gegeven tekst, maar de componist heeft, het geheel overziend, er goed gebruik van gemaakt.
Nu vraag ik mij wel af: wat is nu verpakt in wat? Is de blijdschap eromheen de verpakking van de droefheid? Of is de droefheid middel (verpakking) om onze blijdschap te vergroten?
En hoe zit dat dan in ruimer verband? Hoe verhoudt zich zondag Laetare tot de andere lijdenszondagen? En hoe verhoudt zich het lijdensverhaal tot het grote verhaal?
Wat is de verpakking en wat is er verpakt?
 
https://www.youtube.com/watch?v=Yux8Ayj0Q3s
 
Ik vond op het web een mooie uitvoering van dit motet.
Ensemble Officium o.l.v. Wilfried Rombach
Cd: Music at San Marco – Andrea Gabrieli: Sacrae Cantiones (2016)
De titel slaat alleen op de herkomst van de stukken. De opname is niet gemaakt in de San Marco, maar in een kleinere ruimte. 
 
Met de volgende (QR-)codes kan u deze opname beluisteren/bekijken.
De eerste is een directe link naar het stuk op YouTube. De tweede verwijst naar de betreffende cd, maar daarin moet dan nog wel de juiste track worden opgezocht.
 YouTube                                             Spotify
3c499a82-107d-46d9-9d48-29df7edd40dd 40 dagentijd
Jan Marten de Vries

thumb Walk on the water 7maartZondag 7 maart 2021

Oculi: Mijn ogen zijn bestendig op de Heer
Lezingen: Exodus 20,1-17; Psalm 19,8-15 en Johannes 2,13-22
Zondag Oculi, ogen-zondag - de naam is ontleend aan psalm 25:15 waar staat: ‘Mijn ogen houd ik gericht op de HEER; hij bevrijdt mijn voeten uit het net’. Wasili Wasin maakte niet bij alle evangelielezingen die in de veertigdagentijd op het leesrooster staan een icoon. Bij de naam van deze zondag kozen we voor de icoon: Jezus loopt over het water (Marcus 6: 45-52).
De figuur op de voorgrond moet Jezus zijn, met het kruis in het aureool om zijn hoofd. Hij staat, hij gaat op het golvende water. Kijkt hij om? Hij kijkt mij, de toeschouwer, niet aan. Dat is ook gebruikelijk in de icoonschilderkunst. Maar waarom kijkt hij niet naar de drie figuren in de boot voor zich waarvan de voorste figuur zijn hand lijkt uit te strekken in een hulpeloos gebaar? Zijn het de drie leerlingen Petrus, Jakobus en Johannes - allen vissers! - die Jezus een paar maal vergezellen op bijzondere momenten?
‘Hij wilde voorbijgaan’, schrijft Marcus. Zoals de doodsengel alle eerstgeborenen van de Egyptenaren doodt, maar de huizen van de Israelieten voorbij is gegaan (Exodus 12)? Of zoals de HEER voorbij kwam op de berg Horeb toen de profeet Elia op een dieptepunt in zijn leven was (1 Koningen 19:11)? God toont dat Hij er is als bevrijder en redder, met steun, aanmoediging en troost. Het doet me denken aan de beginwoorden van lied 607: ‘Gij zijt voorbijgegaan, een steekvlam in de nacht. De vonken van uw naam zijn ogen in ons hart.’
Als ik opnieuw naar de icoon kijk, intrigeert mij de rechterhand van Jezus. Het is de hand waarmee hij (volgens de evangelielezing van deze zondag) de tempel leeg veegde. Zijn de mensen vergeten dat de tempel geen diensthuis is, maar het huis van de Vader? Zoals de mensen soms lijken te vergeten dat de Tien Woorden bedoeld waren om het volk te helpen de met Gods hulp verkregen vrijheid - bevrijd uit Egypte - niet te verliezen door achteloos foute neigingen te volgen? Het is de hand die straks doorboord wordt aan het kruis.
De leerlingen zien alleen water en wind en een geestverschijning. ‘Wij herkenden U niet, wij zochten onszelf’, dicht Sytze de Vries in een gebed van toenadering (lied 291d). Is het ook de hand die mij uitnodigt tot vertrouwen in alles wat mij onzeker, onrustig of ongelukkig maakt?
‘Ik ben het, zegt Gij dan. Kom maar met Mij mee naar de overkant. Wees maar niet bang, zegt Gij, hier is mijn hand.’ (lied 917: 6).
Nelly Versteeg

Muziek bij Psalm 25

Oculi mei semper ad Dominum,
quia ipse evellet de laqueo pedes meos.
Respice in me, et miserere mei.
 
Mijn oog is altijd gericht op de Heer,
hij bevrijdt mijn voeten uit het net.
Zie naar mij om en heb medelijden met mij.
(Psalm 25,15-16a)
‘Oculi mei’, een prachtig koorwerk van de relatief onbekende Spaans-Portugese componist Estêvão Lopes Morago (c.1575–c.1630). Relatief onbekend, want een paar stukken van hem worden door een aantal mensen geroemd, waarvan dit ‘Oculi mei’ met stip bovenaan staat. Het wordt vergeleken met het allerbeste werk van Giovanni Pierluigi da Palestrina.
 
Een goed voorbeeld van de uitwerking van het gegeven dat de naam van de zondag gebaseerd is op de introïtus (openingszang) van die dag. De alt begint met ‘Oculi mei’, direct beantwoord door de sopraan en even later door bas en tenor. In totaal klinken deze twee woorden vijf keer achter elkaar.
Als je dit eenmaal gehoord hebt, weet je zeker: het is zondag Oculi.
 
Na het polyfone (de stemmen klinken door elkaar) begin is het middendeel homofoon (de stemmen klinken als één) om voor het ‘miserere mei’ weer terug te keren naar de polyfonie. Maar liefst negentien keer hoor je een stem om medelijden roepen: ‘miserere’.
De stemmen gaan niet bijzonder laag of hoog en maken geen al te grote sprongen. Het is ongelofelijk hoe Lopes Morago met heel beperkte middelen de tekst muzikaal kan uitdrukken. Het zit hem naar mijn idee vooral in de kleine wisselingen van klank in de middenstemmen, kleurwisselingen die zo subtiel zijn, dat ze juist daardoor een bijzondere zeggingskracht hebben.
Niets te veel.
 
Ik vond van dit stuk slechts één opname op YouTube: https://www.youtube.com/watch?v=9GsF7U0kjv0: The Windsor Consort (2019). Met de volgende (QR-)code kunt u deze opname beluisteren/bekijken.

310a8de1-159b-43fc-99fc-a6ef09da2e8d 40 dagentijd      

thumb ReminiscereZondag 28 februari

Reminiscere: Gedenk uw barmhartigheid
Lezingen: 1 Koningen 19,9-18; Psalm 16 en Marcus 9,2-10
 
Drie gestalten in volle lengte opgericht. Als toeschouwer neem je onwillekeurig aan hun voeten plaats. Wie hun gezichten zoekt, moet naar hen opzien.
 
Wie zij zijn, die drie, lijdt nauwelijks twijfel. Jezus geflankeerd door Mozes links en Elia rechts. Boven op de berg, zoals in het evangelie voor vandaag. De berg -als zodanig niet afgebeeld- wordt opgeroepen door de uitnodiging de blik omhoog te richten.
 
De naam van de icoon bevestigt het. Transfiguratie: hij veranderde van gedaante voor hun oog. Precies hier slaat ook de twijfel toe. Nee, het kan niet missen: het kruis in het aureool om zijn hoofd verraadt dat de gestalte in het midden Jezus is.
 
Intussen voel je je op het verkeerde been gezet. Je verwacht toch Jezus in blinkend wit, zoals op een andere icoon van hetzelfde tafereel en van dezelfde kunstenaar, Wasili Wasin, slechts vier jaar eerder gemaakt. Maar nu valt hooguit wat licht op de schouders van Jezus. Meer niet.
 
Leent hij hier het wit aan zijn gesprekspartners, de beide gestalten die staan voor de thora en de profeten?
 
Of zijn het meer de twee stenen tafels, ietwat stram ter weerszijden van die ene? De Tien Woorden -ooit door de vinger van God geschreven in nog natte witte kalk- nu vervaagd als op een verweerde grafsteen? De silhouetten van de mouwen van het gewaad als barsten in de steen?
 
De panden van het gewaad van Jezus lijken -in plaats van wit- eerder van bloeddoorlopen marmer. Suggereert het dat het visioen van licht zich niet zomaar laat arresteren? Dat het een kwestie is van zien, soms even? Dat het eerst nog beneden -de berg weer af- het menselijk bestaan doorlopen moet: de dagen en de nachten, de honger en de dorst, de vragen en de angsten, de kommer en de koorts? (lied 538) De wanhopige roep van Mozes over mensen in de verdrukking in Egypte en de levensmoeheid van Elia, die wegkruipt onder de braamstruik waarin het vuur gedoogd is? Zoals verbeeld in twee paneeltjes die beneden de drie gestalten bijeenhouden?
 
De barsten in het marmer als de littekens waaraan een mens die uit de doden opstaat herkenbaar blijft? Het noodzakelijk obscuur waartegen de kruisboom als een baan van water en leven oplicht? De zegenende handen waarmee Jezus ten hemel vaart en tegelijk ons oneindig aards nabij blijft? Hier in dit stervend bestaan wordt Hij voor ons geloofwaardig, worden wij mensen van God, liefde op leven en dood (lied 321).
 Klaas Holwerda

Muziek bij Psalm 25

Reminiscere miserationum tuarum,
et misericordiarum tuarum, Domine Deus meus,
et ne memineris delicta juventutis meae.
 
Denk aan uw barmhartigheid 
en aan uw liefde, heer mijn God.
Herinner u niet de zonden van mijn jeugd.
(Psalm 25,6 en 7a)
Op deze woorden, waaraan de tweede zondag van de veertigdagentijd de naam ontleent, zijn nogal wat verklankingen te vinden.
Voor vandaag noem ik die van Carlo Gesualdo (1566-1613). Deze componist neemt een bijzondere plaats in in de muziekgeschiedenis. In chromatiek (het gebruik van ‘witte én zwarte toetsen’) en scherpe dissonanten was hij zijn tijd ver vooruit. Zozeer dat pas vanaf begin twintigste eeuw de waarde van zijn muziek werd geschat. Typisch voor Gesualdo zijn zijn beeldende verklankingen van woorden als ‘pijn’, ‘dood’.
Dat komt bij Gesualdo niet helemaal uit de lucht vallen. Op zijn vierentwintigste betrapt hij zijn vrouw met een ander in bed. Hij vermoordt beiden op gruwelijke wijze, maar wordt later op een of andere manier toch van deze moorden vrijgesproken.
Het wordt algemeen aangenomen dat hij zijn herinneringen, zijn schuld ‘in de noten stopte’. Nergens in de zestiende en zeventiende eeuw vind je zo’n intense verbeelding van schuld, van het lijden, het sterven als bij Gesualdo. Hij vermeed deze teksten nooit, maar zocht ze eerder op.
 
Het koorwerkje ‘Reminiscere’ is wat dit betreft niet typisch voor Gesualdo. De tekst leent zich namelijk bij uitstek voor het verbeelden van mildheid, mededogen. En ook dat kan Gesualdo goed. Maar bij het eerste beluisteren viel mij aan het eind meteen toch wat op: een korte reeks snellere noten, wat ‘hoekig’ gezet. En dat blijkt dan juist te zijn op de tekst ‘delicta’ juventutis, de zonden (letterlijk: de delicten) van mijn jeugd.
In alle mildheid, misericordia, toch weer die rimpeling, die herinnering.
 
Ik vond van dit stuk slechts één opname, zowel op YouTube als op Spotify: Oxford Camerata o.l.v. Jeremy Summerly (1993), www.youtube.com/watch?v=ar5JlTH3Ri0
Met de volgende (QR-)codes kan u deze opnames beluisteren/bekijken.
De eerste is een directe link naar het stuk op YouTube. De tweede verwijst naar de betreffende cd, maar daarin moet dan nog wel de juiste track worden opgezocht.

23841c1c-a9ea-4fdc-aadd-2ea4984ba7d4 40 dagentijd

Zondag 21 februari 2021thumb WasinInvocabit 001

Eerste zondag van de veertigdagentijd
Lezingen: Psalm 91 en Marcus 1:12-15

Invocabit luidt de oude naam van deze zondag, naar Psalm 91:15 ‘invocabit me et ego exaudiam eum.’ “Hij roept mij aan en ik geef hem antwoord.” God zelf is aan het woord tegen iemand die in heel moeilijke omstandigheden bescherming zoekt bij God. En Gods antwoord is royaal: “Ik zal je redding zijn.”
Op de eerste zondag van de veertigdagentijd wordt elk jaar een evangelieverhaal over Jezus
’ verzoeking in de woestijn gelezen. In de beschrijving van Matteüs en Lucas haalt de duivel woorden uit Psalm 91 aan (Mat. 4:6-7; Luc.4:10-13). Die citaten ontbreken in de beknopte versie van Marcus. Hij noemt geen concrete verzoekingen. Marcus schrijft enkel dát Satan Jezus op de proef stelde in de woestijn. Op een eigen wijze laat Marcus zien dat het vertrouwen op God en het zijn met God niet beschaamd wordt. De woestijn is óók de plek waar Jezus te midden van de wilde dieren leefde (misschien een verwijzing naar het paradijselijke visioen waarin een wolf zich neerlegt naast een lam in Jesaja 11,6-9; 65,25?) en engelen voor hem zorgden (net als voor Elia in 1 Koningen 19: 4-8).

In het werk van Wasili Wasin dat u hier afgebeeld ziet, is misschien niet direct een specifiek bijbelverhaal te herkennen. Ik zie twee figuren met een aureool, elk in een door kleur onderscheiden wereld. Rechts zie ik Jezus, niet ten voeten uit en deels buiten het kader geplaatst, in geel-bruine kleuren en met gekruiste armen afgebeeld. Wat drukt die houding uit? Angst, of overgave? Waar kijkt Jezus naar? Naar een kaal gebied, verwijzend naar de woestijn, de wildernis? Of is het een berg? En herken ik ook nog iets van treden, van een trap?

Linksboven hem zie ik in de uitgespaarde vorm een engel. Alleen handen, voeten en vleugels zijn geschilderd. Drukt de oningevulde vorm het mysterieuze karakter van de aanwezigheid van een engel uit? De linkerhand lijkt naar Jezus uitgestrekt: zegenend, bemoedigend? En wat houdt de engel in de rechterhand?
En wat is de betekenis van de dwarsbalk die niet doorloopt?

Wasili Wasin noemde dit werk Christus in Getsemane. In deze tuin aan de voet van de Olijfberg bad Jezus in de nacht voor zijn kruisiging. Dat Jezus de wil van God, de Vader, heeft gedaan is een breed gedeelde overtuiging in de nieuwtestamentische traditie. Maar dat betekent niet dat dat niet met innerlijke strijd gepaard is gegaan. Hij houdt zijn leerlingen voor dat ze bidden niet in beproeving komen (Marcus 14:38). Hier keert het thema van de verzoeking, van het op de proef gesteld worden uit het begin van het evangelie terug. De evangelist Lucas vertelt dat uit de hemel een engel verscheen om Jezus kracht te geven (Lucas 22:43).

In de harde en soms verschrikkelijke realiteit van het leven klinkt de belofte van Gods kant: ‘In de nood zal ik bij je zijn’ (Psalm 91:15). Kun je het uithouden, kun je vertrouwen op Gods belofte, door  beproevingen en innerlijke strijd heen? Om af en toe te ervaren dat er iemand (misschien met een hoofdletter: Iemand?) bij je is.

 Nelly Versteeg

Muziek bij Marcus 1,12-15

Er is in Europa een lange traditie van het zingen van nieuwtestamentische bijbelgedeelten. En dan vooral in het Duitse taalgebied en later, in navolging daarvan, ook in Nederland. Er zijn hele jaargangen van deze zo genaamde evangeliemotetten geschreven en uitgegeven. Heinrich Schütz (1585-1672) en Melchior Franck (rond 1579-1639) zijn hier wel de belangrijkste.
In de zeventiende en achttiende eeuw werd de motetvorm uitgebreid met aria’s en koralen. Bekend zijn de motetten van Johann Sebastian Bach (1685-1750).
In de twintigste eeuw gaat men weer terug naar de oude, pure vorm. Dan duiken namen op als Hugo Distler (1908-1942) en Ernst Pepping (1901-1981). In ons land is Willem Vogel (1920-2010) de bekendste componist van evangeliemotetten. Vogel werkte in de Oude Kerk in Amsterdam.

Het verhaal van de evangelielezing van vandaag, Marcus 1,12-15, de verzoeking in de woestijn, is een dankbaar onderwerp voor een muzikale verbeelding. Al gebruikt men daarvoor meestal de uitgebreidere paralleltekst van Matteüs 4 of Lucas 4.

Vandaag wil ik stilstaan bij het motet Heb dich weg von mir, Satan van bovengenoemde Melchior Franck.
Met een indringend herhaald ‘Heb dich weg’ (‘Ga weg’) begint het stuk.
Dan daalt er rust neer vanaf het ‘…denn es steht geschrieben’. Immers, Jezus citeert hier woorden uit Deuteronomium ‘Du sollst anbeten Gott, deinen Herren, und ihm allein dienen’ (‘Aanbid de Heer, uw God, vereer alleen hem’).
Waar bij Franck altijd sprake is van tekstherhaling (‘Heb dich weg’ klinkt hier zeven(!) maal. Zo moet het voldoende zijn…),  schrijft hij slechts één kort zinnetje over het vertrek van de duivel, ‘Da verliess ihn der Teufel’). Dit klinkt met de snelste nootjes van het hele motet. Hier wijdt hij geen woord (noot) te veel aan. Het is alsof Franck hier de duivel met zijn staart tussen de benen laat afdruipen.

Daarna volgt het snelle, dansante gedeelte ‘Da traten die Engel zu ihm und dienten ihm’. Een vrolijke boel. De afsluiting is net zo beeldend: het laatste ‘dienten’ gebeurt in alle rust en op dalende klanken. De engelen leggen zich aan Jezus’ voeten.

Heb' dich weg von mir, Satan! Denn es stehet geschrieben:
‘Du sollst anbeten Gott, deinen Herren, und ihm allein dienen.’
Da verließ ihn der Teufel; und siehe, da traten die Engel zu ihm und dienten ihm.


Ik vond op het web maar twee uitvoeringen van dit motet. En die komen juist uit (de omgeving van) Amsterdam!

  • (1) Een (toevallige?) opname van de Sweelinck-cantorij o.l.v. Christiaan Winter in een kerkdienst in de Oude Kerk.

  • (2) Een uitvoering van Chorus ad Hoc o.l.v. Eric Jan Joosse in een cantatedienst in de Amstelkerk in Ouderkerk a.d. Amstel. 


Jan Marten de Vries

Welkom op zondag

U bent welkom bij onze diensten.

Dopen, trouwen, rouwen

Neem contact op via Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken. of de pastorale commissie

Willem de Zwijgerkerk

Olympiaweg 14
1076 VX - Amsterdam
Tel. 020 662 27 00
Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.